Over de historische Zenobia

Zenobia was koningin van de Syrische woestijnstad Palmyra van 267 tot 272 na Christus, die enige tijd een deelrijk binnen het Romeinse imperium beheerste. Als historische figuur leeft zij voort in zowel de westerse, Grieks-Latijnse traditie, als ook in de oosterse, Arabisch-Perzische overlevering.

Rossini’s Aureliano in Palmira

Zenobia en Islam
Een van de grote raadsels uit de geschiedenis van de islam wordt gevormd door de Arabische veroveringen. Hoe konden woestijnnomaden die uit het niets leken te komen de staande legers van de twee supermachten van die tijd, Perzië en Byzantium, verslaan? Hoe konden deze bedoeïenen in minder dan een eeuw na Mohammeds dood een gebied onderwerpen dat zich uitstrekte van Spanje tot aan de grenzen van China? Gelovige moslims verklaren dit ‘wonder’ als het werk van God. Revisionistische islamwetenschappers zien in deze ongerijmdheid bewijs voor hun theorie dat de veroveringen niet geleid kunnen zijn vanuit het Arabisch schiereiland, maar het werk waren van muitende Perzische generaals. In een recent werk van wetenschapsjournalistiek voegen Eildert Mulder en Thomas Milo een nieuw argument toe aan deze discussie: Zenobia van Palmyra.

In De omstreden bronnen van de islam (Meinema, 2009) stellen de auteurs dat de spectaculaire opkomst van het Palmyreense rijk onder Zenobia beschouwd kan worden als een ‘generale repetitie’ voor de latere islamitische veroveringen. Hieronder een citaat uit hun boek, pp. 392-400.

De spectaculaire geschiedenis van [Palmyra] met zijn beroemde ruïnes uit de derde eeuw kan misschien licht werpen op een vraag die de oudste geschiedenis van de islam oproept. Volgens het traditionele verhaal veroverden moslimstrijders na de dood van de profeet in 632 in enige decennia een wereldrijk bij elkaar. Ze vernietigden het Perzische rijk en verminkten de andere supermacht, Byzantium. Dat zouden ze hebben gedaan met woestijnlegers vanuit de steden Medina en Mekka, in het noordwesten van wat nu Saoedie-Arabië is.

Sceptici vragen zich af of je vanuit een geïsoleerde oase met een ongeregeld bedoeïenenleger supermachten zou kunnen verslaan. Hun twijfel neemt toe doordat er over de grote veldtochten van de Arabieren in de zevende eeuw geen eigentijdse berichten zijn. Er zijn bovendien geen archeologische sporen gevonden van de veldslagen, die de islamitische geschiedschrijvers van de negende eeuw en later beschrijven.

Maar de geschiedenis van Palmyra, net als Medina ook een woestijnstad omringd door barre verlatenheid, is wel redelijk gedocumenteerd, hoewel de episode die de oasestad beroemd maakte zich ruim vierhonderd jaar eerder afspeelde, in de derde eeuw. Palmyra heeft toen aangetoond dat het inderdaad mogelijk was om vanuit de woestijn, vanuit het schijnbare niets dus, supermachten te belagen.

Palmyra faalde in de derde eeuw, vier eeuwen voor de opkomst van het Arabische rijk, op het nippertje, maar onder de bezielende leiding van koning Odaenathus en later zijn weduwe Zenobia deelde de oase wel rake klappen uit aan zowel de Parthen (voorlopers van de Perzen) als de Romeinen. Op het hoogtepunt beheerste Palmyra Syrië, Egypte, het oosten van Turkije en flinke delen van Irak. Dat is natuurlijk nog lang niet het gebied, dat de Arabieren in de zevende eeuw beheersten, maar Palmyra heeft ook maar ruim tien jaar de tijd gehad. In die tien jaar wist het wel een gebied onder controle te krijgen dat in de zevende eeuw een belangrijke kern van het toenmalige Arabische rijk vormde.

Wie wil begrijpen wat er in de zevende eeuw is gebeurd, doet er daarom goed aan ook de geschiedenis van Palmyra en zijn vermetele poging een imperium te vestigen ten koste van de supermachten van die dagen, Rome en Perzië, te bestuderen. Wat Palmyra niet lukte, daarin slaagden de Arabieren in de zevende eeuw wel.

De manier waarop Palmyra manoeuvreerde kan zowel aan revisionistische islamologen als aan aanhangers van het orthodoxe islamitische verhaal over de oorsprong van de islam belangrijke inzichten geven. Want zowel Palmyra als Medina, dat in het orthodoxe verhaal over de Arabische veroveringen in de zevende eeuw centraal staat, liggen in de baadiyah [het enorme driehoekige steppengebied dat zich uitstrekt via het noorden van Syrië, via Irak tot in het noordoosten van het huidige Saoedi-Arabië en aan de westelijke zijde via Jordanië tot ongeveer de stad Medina.] En de baadiyah heeft hoe dan ook een hoofdrol gespeeld bij de Arabische machtsontplooiing in de zevende eeuw, ook in de revisionistische visie, zeker als je de Iraanse steppengebieden met hun belangrijke handelsroutes ziet als uitlopers van de Arabische baadiyah. (…) Een belangrijk gegeven was de ligging van de baadiyah tussen de beide supermachten van die dagen, Rome en het Perzische/Parthische rijk.

Die twee rijken leefden in een permanente toestand van confrontatie, vergelijkbaar met de Koude Oorlog in de tweede helft van de vorige eeuw tussen de Navo en het Sovjetblok. Met dit verschil dat de koude oorlog tussen de Perzen en Romeinen geregeld ontaardde in een hete oorlog: echte militaire strijd. Beide imperia hadden hun eigen invloedssfeer in de baadiyah. Maar hun greep op het gebied was toch beperkt. Het fluctueerde, soms staken ze er veel energie in om de baadiyah direct te beheersen en konden ze hard optreden tegen koninkrijkjes die zich in de baadiyah vormden. Een voorbeeld daarvan is de verwoesting van Hatra door de Perzen in 240 (…), de episode die Palmyra een plaats in de geschiedenis gaf, speelde zich iets later af, van ongeveer 260 tot 273 (…).

De welvaart van Palmyra stond of viel met de veiligheid van de handelsroutes door de woestijn en het steppengebied. De oase onderhield eigen ‘milities’, die de handelswegen en handelsfactorijen beveiligden. Ze deden dat ook in het niemandsland tussen Rome en het Perzische rijk, vaak buiten het machtsbereik van Rome. Soms opereerden de milities als onderdeel van het Romeinse leger, maar niet altijd. Militaire eenheden van Palmyra hadden een reputatie te verliezen, ze opereerden in Egypte en zelfs in Dacië, in het Zwarte Zeegebied bij de monding van de Donau.

Voor Palmyra was de handelsroute naar de havenplaats Basra aan de Arabische golf belangrijk. Een constructie als Palmyra, in de rol van een spin in een web van handelswegen, vereiste hechte bondgenootschappen met nomadische bedoeïenenstammen. Alleen die hadden de beweeglijkheid en de terreinkennis om de handelsroutes te beveiligen. (…)

Dat web van handelswegen kan ook een van de achtergronden zijn geweest voor de plotselinge spectaculaire machtsontplooiing van Palmyra in de derde eeuw (…). Met haar woestijncoalities wilde Zenobia vooral haar handelsimperium (…) beschermen in een periode waarin de supermachten te zwak waren om voor veiligheid te zorgen. Voor die visie kan pleiten dat ze zowel in het oosten van het Romeinse rijk als in het westen van het Parthische rijk, waartoe ook het huidige Irak behoorde, militair bezig was in gebieden die economisch van levensbelang waren voor de ‘firma Palmyra’. In Irak was dat de route naar de havenstad Basra, even vitaal voor Palmyra was de handelsroute naar Egypte.

Niets minder dan de veiligheid van het westelijke deel van de beroemde zijderoute naar China en haar vertakkingen stond op het spel, zeg maar de wereldhandel van die tijd. Wat Zenobia ook mag hebben bezield, in 273 hadden de Romeinen er genoeg van en moest ze in goud geketend meelopen in een overwinningsparade in Rome van keizer Aurelianus (…).

Bijna vier eeuwen na de ondergang van Palmyra slaat de baadiyah opnieuw toe, nu wel met blijvend succes en weer ten koste van beide supermachten van dat moment, Byzantium (de opvolger van Rome) en Perzië. Opnieuw gebeurt dat in een periode waarin die twee supermachten te verzwakt zijn om veiligheid van de handel te garanderen nadat ze elkaars krachten hebben uitgeput in een verschrikkelijke oorlog.

Het is verleidelijk om het model Palmyra te plakken op de gebeurtenissen in de zevende eeuw, die de weg zouden banen voor het Arabische moslimrijk.

Er zijn ongetwijfeld veel verschillen, maar Zenobia bewees dat de baadiyah de supermachten kon uitdagen. In die zin zou je Palmyra kunnen opvatten als een generale repetitie voor de latere Arabische veroveringen van het Perzische rijk en grote delen van het Byzantijnse rijk. Daarbij doet het er niet zo veel toe of ze veroveringen van buitenaf waren (het scenario van het traditionele verhaal) of een Arabische machtsovername binnen die imperia (het scenario van Popp). Waar het wèl om gaat, is dat de baadiyah, met mogelijk zijn voortzetting in de steppengebieden van Iran, al onder Zenobia liet zien dat het een macht van betekenis was. De baadiyah met zijn handelsroutes naar Azië kon in de zevende eeuw al terugkijken op een bestuurlijke en militaire traditie, die honderden jaren oud waren en minstens een Arabische tint hadden. Dat alles maakt de spectaculaire geschiedenis van de zevende eeuw hoe dan ook begrijpelijker, van welk scenario je ook uit gaat, het behoudende of het revisionistische.